De toren

Op weg naar een vriend in Eindhoven, fiets ik op een zonnige lentemiddag over de Boschdijk. Op één van de kruisingen valt mijn oog op het geraamte van een half gesloopte kerk. De kerk heeft geen dak meer en ook de kozijnen zijn verdwenen. Als een door parasieten aangevreten lichaam staan de wanden nog overeind. De geslagen gaten bieden een doorzicht naar de helder blauwe lucht aan de andere zijde van het gehavende gebouw.

Zonder af te stappen fiets ik verder. Het beeld verdwijnt uit mijn gezichtsveld. Ik mopper nog iets over de zoveelste kerk die gesloopt wordt en wel weer plaats zal moeten maken voor meer van hetzelfde. Sinds jaar en dag worden kerken gesloopt. En niet alleen kerken. Volkstuinen, sportvelden, kazerneterreinen, begraafplaatsen en over het algemeen de lege plekken in de steden worden haastig opgevuld door overdekte winkelarcades, kantoren, woontorens, bioscopen, efficiente crematoria en andere amusementshallen. De versnelling waarmee deze ontwikkeling gepaard gaat overwoekert de ruimte met infrastructurele netwerken van snelwegen, digitaal of mechanisch bereden in voertuigen, die het besef van plaats, afstand en tijd doen oplossen in een schijnbaar geordende chaos. Alles lijkt op rolletjes te lopen, en het streven is om het comfort in deze omgeving verder uit te breiden.

Snel overschakelen naar het volgende net. Het is tenslotte mooi weer en ik ben niet van plan de vredige fietstocht te laten verstoren door zwartgallige gedachten. En slopen is tenslotte geoorloofd heb ik me laten vertellen. Als het maar niet in het voormalige Joegoslavië gebeurt, want daar is het oorlog en dan is alle geweld slecht. En ook niet in Boekarest, waar kerken, bij de vleet gesloopt, als Berlijnse muren van de kaart geveegd zijn. Nee, zo zijn wij, televisiekijkende Nederlanders niet.

Een eindje verderop, langs een afgerasterd terrein verbaas ik me over een merkwaardig gevaarte met uitgestoken poten. Als ik tot stilstand kom, herken ik de liggende kerktoren, ter ziele besteld aan het kerkhof. Het felle zonlicht verwarmt zijn laatste uitademing, die een zoete geur van eikehout en wierook verspreid. Vervlogen herinneringen aan de dagen van weleer ... toen de priester onder zijn spits stond. Hij dronk de zonden weg van de schoolmeester, die met glimmend gepoetste schoenen op de eerste rij zat. Stilzwijgend bekend om de incestueuze praktijken met zijn dochter was ook voor hem spreken verboden. Niemand zei dat, maar iedereen zweeg. Er werd voorgelezen, gepreekt, gemompeld, gefluisterd en luidruchtig gekucht. Voor ander stemgeluid waren zorgvuldig kanalen ingericht. Schaamte, schuchterheid en schande waren onherroepelijk gevolg van het verbreken van deze ongeschreven zwijgplicht. Op het altaar werd het brood gebroken en vervolgens uitgedeeld aan de gelovigen, die zich schuifelend in rijen van twee naar de maaltijd begaven. Iedereen aan de tafel ging natuurlijk niet. De priester daalde voor deze gelegenheid af van de heilige plaats. Het lichaam van Christus was geofferd en gebroken. Plechtig werd het nu genuttigd.

De banken die in rijen waren opgesteld boden uitzicht op het offerblok. Voor de gelovigen was het verboden deze heilige plaats te betreden. Er zat niets anders op dan vanaf de hardhouten banken te blijven geloven dat de verlossing wel zou plaatsvinden, al was het dan niet bij jou. Het zou zich ook zeker wel een kéér voltrekken, al was het dan niet nu. Het perspectief lag in de toekomst. Alles was op dit ene moment in de toekomst gericht, op een gebeurtenis die onherroepelijk zou zijn. De tijd werd uiteen gerukt. In het verleden lagen de schuld en de zonden, verbonden aan het lichaam, in de toekomst wachtte de dood. Ontdaan van het lichaam zou het verlangen naar geluk en schoonheid gestild worden...

De toren ligt erbij als een gevelde boom. Ik stel me voor dat de klok is teruggestuurd naar Rome en de haan bij iemand in de tuin staat. In Rome kom ik niet zo vaak en ontwaken gebeurt meestal door de wekkerradio. Hiermee heeft zijn leven als oriëntatiepunt een einde gevonden. Hij was trouwens al lang niet meer de hoogste. Hier en daar kon je in de stad nog een glimp van hem opvangen tussen de kantoren en de flats. Gebouwen met platte daken, waaraan ik geen herinneringen heb en waarvan ik de verhalen niet ken. Ja, ik zal hem wel missen, die toren.

De fiets brengt me verder naar het huis van mijn vriend. In de tuin vieren we zijn eenentwintigste geboortedag, eten, drinken, lachen, praten over iets en soms over niets. Voor even keert de tijd terug. Het is een feestelijke begrafenis.'